148
Jrg. VI bldz. 88: „Ziehier dan een gerechtigheidsbegrip, dat vrij is van alle juridische bijgedachte”.
Over „Recht en Gerechtigheid” heeft gesproken Prof. Mr. J. de Louter in de Vergadering der Letterkundige Afdeeling der Kon. Akad. van Wetenschappen van 10 April 1916. Hierin twee definities (Verslagen, bldz. 299): „Recht blijve de standvastige term voor de maatschappelijke orde door gewoonte of wet geregeld en be-heerscht”. En: „Daarnevens erkenne men de gerechtigheid als de verborgen, ongenaakbare bron dier vermogens van den menschelijken geest, welke van haar bestaan een min of meer flauw besef hebben en hare imperatieven in de menschelijke samenleving trachten te realiseeren”.
Gelijkheid van „orde” en „recht” zal zeker niet door vele rechtsgeleerden worden erkend. En wat deze definitie van „gerechtigheid” betreft: met discrete logische woorden wordt die intuïtie nooit volkomen gesymboliseerd. Maar er zijn zeker woorden mogelijk, die de ge-rechtigheids-intuïtie beter suggereeren.
Dat een bekend rechtsgeleerde als Mr. De Louter die betere woorden niet heeft gevonden, bewijst meer dan iets, hoe noodig de volle rechtskundige significa is: beschrijvend, verklarend, critisch en vooral actief-schep-pend.
XXI.
Wat wij „recht” noemen is dus twee vereenigd: het