146
bezonnen, voorzichtig moeten worden gebruikt. De Neder-landsche juristen doen dat niet. Zij gebruiken woorden als „recht”, „orde”, „rechtsorde, „rechtszekerheid”, enz. onvoorzichtig en onbezonnen.1)
En niet minder de woorden „recht” en „gerechtigheid”. Bijvoorbeeld: Prof. Krabbe in „de Moderne Staatsidee” bldz. 37: „In de reohtsleer moeten twee begrippen: recht en gerechtigheid nauwlettend worden onderscheiden. Het spraakgebruik is onvast, vooral met betrekking tot de uitdrukking recht, die niet altijd tegenover gerechtigheid maar ook als synoniem daarmee wordt gebezigd. Als men bijv. spreekt van strijd met het recht, dan kan bedoeld zijn strijd zoowel met de geldende rechtsnormen als met dat idee der gerechtigheid.2) Het is daarom noodig van den aanvang af op den voorgrond te stellen, dat, bij het onderzoek naar den grondslag der verbindbaarheid van het recht, dat woord genomen wordt in den zin van het geheel der geldende rechtsnormen. Buiten beschouwing blijft dus de vraag naar het gerechtigheids-gehalte der geldende rechtsnormen”.
Echter: dan had Prof. Krabbe moeten spreken van
1
*) Dr. W. Meyer „Zedelijüce wereldorde” in T. v. W. Jrg. V bldz. 465. Spinoiza aangehaald door Dr. W. Meyer „Bismarek en Spino&a” in T. v. W. Jrg. VI bldz. 65 „finis imperii revera libertas” tegenover „imperii virtus securitas”.
2
) Hiertegen: Mr. Jacob Israël de Haan „Wezen en taak der rechtskundige significa” bldz. 19.