145
Ten slotte nog één voorbeeld van overheersching der orde-gedachte. De wet van 1855 tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereeniging en vergadering.
Het begrip „rechtspersoon” was voor 1855 in het Nederlandsche recht wel bekend: B. W. 1691, 1698. De wet van 1855 heeft de verkrijging van rechtspersoonlijkheid afhankelijk gemaakt van het vervullen van bepaalde formaliteiten. Heeft eene vereeniging die formaliteiten niet vervuld dan bestaat zij feitelijk wel. Maar rechtens niet. *) Juist omdat hier de orde zóó heerscht over het recht, kwetsen vonnissen betreffend vereenigingen zonder rechtspersoonlijkheid het primitieve rechtsgevoel. Kritiek op zulke vonnissen is gemakkelijk en aangenaam. 2) Echter: wanneer de wet van 1855 niet bestond, zou men ook onbehaaglijke vonnissen hebben gehad. Eene
bestaande wet geeft natuurlijk altijd aanleiding tot onaangename vonnissen.
XX.
De verhouding tusschen recht en orde is de meest-belangrijke uit het geheele rechts-stelsel.
Hieruit volgt, dat de woorden „recht” en „orde” steeds