139
de algemeen-geldige rechtsnormen scheppen orde. En orde, die zich weet te handhaven, wordt ten slotte niet meer als onrecht gevoeld. Het eerst door dengene, die de orde-maatregelen nam of in wiens voordeel ze genomen zijn. Het laatst door dengene, tegen wien de orde-maatregelen genomen werden. Want het rechts-gevoel houdt zich van het belang niet vrij.1)
Er is een orde naast het recht'. En er is zelfs een orde tegen het recht in. Maar het rechtsgevoel zelf erkent de noodzakelijkheid van orde en het gevaar van wanorde.1)
Voorbeelden. De lagere rechter voegt zich naar vonnissen van den Hoogen Baad, zelfs wanneer hij die niet juist acht. Niet alleen in vorm vragen, zooals de benoeming van den „voogd” bedoeld in B. W. 315. Maar ook in vragen van wezenlijk belang. Zooals de waarde eener enkele bekentenis in het echtscheidings-proces. (B. W. 263, 1962.)
Is de lagere rechter rechtens verplicht zich te voegen naar den hoogeren? Mr. H. Louis Israëls bespreekt deze vraag in een zijner wekelijksche bijdragen in „De Telegraaf” van Zondag 10 Juni 1917. Naar aanleiding van
1
) Dr. Otto „Die Gewissheit des Richterspruchs’’ bldiz. 78 „Besser ein sicheres Unrecht als ein stets unsicheres Recht.”