138
reageert het rechtsgevoel. En dikwijls niet eens het rechtsgevoel. Maar een gevoel van afkeer, dat wij volstrekt niet dadelijk rubriceeren kunnen. Voorbeeld: een rijke schuldeischer is uiterst streng tegen eenen armen schuldenaar. Wij haten. Eecht of onrecht? Zede of onzede?
En vragen als deze: „Is de kantonrechter bevoegd voor acties tot ontbinding van overeenkomsten; wie moet den „voogd” benoemen bedoeld in B. W. 315; begint een hooger beroep in zake arbeids-contract met een dagvaarding of met verzoekschrift?” En tallooze van die vragen meer. Zijn dat rechtsvragen? Het rechtsgevoel reageert hier niet. Het antwoord is rechtens onverschillig. Mits er maar gelijkheid en zekerheid, dat is orde bestaat.
XIX.
Is er geene vermindering mogelijk van al deze moeilijkheden?
Het is niet mogelijk met logische, discrete woorden rechtsintuïties te symboliseeren. Maar met woorden kan men intuïties suggereeren, die de recipient zelf doorleven moet. Suggestie van een intuïtie bedoel ik, wanneer ik zeg, dat men in de rechtsorde moet onderscheiden tusschen emotioneerend recht, dat recht is. En niet-emotioneerend recht, dat orde is. Onderscheiden, niet scheiden. Want