131
is, daarvan ben ik niet overtuigd.1) En dat die wet in een positieve rechtsorde door te voeren is, geloof ik niet.
Ook acht ik de beteekenis van die grondwet voor de kennis van het rechtsleven niet groot. Het is niet anders dan een zeer algemeene formuleering van wat misschien alle individueele rechts-opvattingen gemeen hebben. Niet eens een gemiddelde. Maar slechts een algemeenheid.
De fout van Professor Kranenburg is deze: te meenen, dat de algemeene factoren van ieder rechtsgevoel ook de meest-belangwekkende en de meest-invloedrijke zijn. Hij is wel een echte leerling van Prof. G. Heymans. Niet het individueele acht hij belangrijk. Maar slechts het algemeene.1) Zóó sterk, dat Prof. Kranenburg de werkingen van de individueele factoren beschouwt als „storingen van de zuivere werking van het bij allen gelijkelijk aanwezige rechtsbewustzijn.”2)
Op dezelfde wijze als Prof. Kranenburg bewezen heeft de gelijkheid van ieders rechtsbewustzijn, kan men bewijzen de gelijkheid van ieders gezicht: één mond, één neus, twee oogen. Dat is toch bij alle menschen zóó, en de onderlinge plaats ook. Beschrijven is altijd stelselmatig onvolledig zijn. Hoe algemeener omschrijving, hoe onvol
1
) Het psychisch, monisme verwaarloost het Ik. Zie Dr. J. A. der Mouw „Kritische Studies”.
2
) Aangehaald bij proif. Krabibe „Het Rechtegeizag” bldz. 69.