129
het subjectieve. Daarom is „geheel objectieve” rechtspraak, gelijk Mr. Van Brakel zich die voorstelt, wijs-geerig ondenkbaar en signifisch onmogelijk.
XVII.
Thans signifische bezinning op een ander leerstuk, dat ook voor de nieuwe rechtswetenschap van groot belang is. En waarover uitvoerig werd gehandeld door Prof. Krabbe en zijne tegenschrijvers.
Te weten: hoe zal men uit het anarchistisch element, het individueele rechtsbewustzijn, een geordende gemeenschap opbouwen?1)
Dit is inderdaad het zwakke punt van de rechtsleer van Prof. Krabbe. In „Het Rechtsgezag” bldz. 69 antwoordt hij op deze vraag: „Kranenburg heeft het voor de juristen reeds meer dan eens trachten duidelijk te maken en uit de ervaring toegelicht, dat de individueele rechtsbewust-zijnen naar dezelfde vaste wetten, doch dat die werking door tal van invloeden gestoord en gewijzigd wordt. „Waar, zegt deze Schrijver, de feitelijke omstandigheden, waaronder de wet (van het rechtsbewustzijn) werkt, in verschillende ontwikkelingsstadia zoo verschillend zijn, moet het positief recht verschillend zijn”. Het rechts
1