126
ordening dan waartoe hij, onder het régime van de geslotenheid der rechtsbronnen, gerechtigd werd geacht”.*)
Eerder vindt men bij sommige schrijvers verzet tegen elke subjectiviteit van den rechter.
Mr. L. A. Micheels spreekt afkeurend van „individu-eele almacht van den rechter” en van „rechterlijk machts-besef en machtsmisbruik”.1)
En vooral: Mr. G. J. van Brakel 2) „Een rechter kan niet alleen, doch moet ook geheel onafhankelijk van zijn eigen inzicht den feitelijk geldenden gedragsregel opsporen en toepassen, evenals elke rechtsbeoefenaar het hedendaagsche recht geheel objectief kan beschrijven”.
Hier ontbreekt iedere bezinning op de vraag of „een geheel objectieve beschrijving” wijsgeerig denkbaar en signifisch mogelijk is.
De meeste rechtsgeleerden houden het intuïtieve midden tusschen ondenkbare subjectiviteit en ondenkbare objectiviteit.
Bijvoorbeeld: Prof. Mr. J. Kosters: „De plaats van gewoonte en volksovertuiging in het privaatrecht”.3)
1
) „Een en ander over onze rechtspraak’’ in „De Beweging’' van Januari 1917 blidz. 44—46.
2
) „Recht, Wet en Rechter” in „Themas” van 1918, bldiz. 15.
3