schappelijk wenschelijk, dat de rechter beslist naar zijn eigen persoonlijk rechtsgevoel, ook tegen de wet in?”.
Niet veel rechtsgeleerden zullen deze vraag zonder meer bevestigend willen beantwoorden. Ook Prof. Krabbe niet. Hij schrijft: J) „Heeft dus de rechter naar de wet recht te spreken omdat in de wet recht is te vinden, dan staat hij onder gelijke verplichting tegenover alle ander recht dan wetrecht. Bij deze opvatting van de verhouding van den rechter tot de wet, houde men echter wel in het oog, dat, als de rechter ongeschreven recht toepast, hij geenszins in concurrentie treedt met den wetgever. Zijn ambt is en blijft wat het altijd geweest is: hij stelt een rechtsverhouding vast op grond van een norm, die gelding had; hij roept geen nieuw recht in het leven”. 1) En elders 2) „Is dat doel bereikt, dan vloeit daaruit van zelf een grootere vrijheid van den rechter voort, in zoover hij bevoegd zal zijn, niet naar eigen rechtsbesef recht te spreken, maar naar een oneindig omvangrijker rechts
1
) Onder „nieuw recht” verstaat Prof. Krabbe dus alleen: „nieuwe algemeene rechtsnormen” en niet: „nieuwe bijzondere rechtsverhoudingen”. Maar zelfs dan is zijne voorstelling onjuist ten aanzien van vele vonnissen van den Hoogen Raad. Deze hebiben de waarde van algemeene rechtsnormen. Omdat de justitiabelen zich ernaar richten. Oimdat de lagere redhter zich eraan houdt, ook al vindt hij ize niet juist. En omdat de Hooge Raad zelf niet liöht van zijn bestaande rechtspraak afwijkt.
2
) „Het Rechtsgeizag” bldz. 82—83 noot.