114
ning van en het onwrikbaar vasthouden aan dit zuivere doel zal, naar mijn vaste overtuiging, de zoo noodige grondslag zeker worden gevonden”. Prof. Kranenburg schrijft gewoonlijk beter.
Van Prof. Struycken: „Recht en Gezag” bldz. 12: „Dat de volksvertegenwoordiging vergroeide tot een orgaan van rechtsvorming, uit den boezem van het volk zelf gesproten, en spoedig als zoodanig de leiding, ja de alleenheerschappij verwierf”.
Bij Prof. Struycken zijn zulke zinnen niet zeldzaam. Nog een, uit: „Het Rechtsbegrip” bldz.. 87: „Door dergelijke vage, niet nader te preciseeren termen, redt men evenwel geen constructie, waaraan de hoofdbasis blijkt te ontzinken”.
Van Prof. Krabbe „De Moderne Staatsidee” bldz. 153 —154: „Maar deze organen zijn producten van een rechtsordening, welke uit de werking van een andere, een hoogere rechtsbron is voortgekomen, in welke ordening hun samenstelling en bevoegdheid wortelen”.
Bij Prof. Krabbe zijn zulke zinnen niet zeldzaam. Nog een, uit: „Het Rechtsgezag” bldz. 5: „En door het oor te luisteren te leggen bij de practijk, wierp dit vanzelf de gedachte in de schoot, dat het recht, het positief geldende recht, niet alleen als bron voor de rechten en verplichtingen der burgers moest worden aangemerkt, maar ook als grondslag voor de zoogen. overheidsrechten”. En daar