110
Staatsidee” genoemd. En ook een aantal geschriften, die naar aanleiding van dat boek geschreven zijn. Wat blijkt hieruit? Dat de schrijvers voortdurend verklaren, dat zij elkander niet begrijpen. De intuïtionist Brouwer en de formalist Mannoury zijn het niet eens over de logische grondslagen der wiskunde en de wiskundige grondslagen der logica. Dat is: de betrekkingen tusschen logica, wiskunde en taal van wiskunde. Zij bestrijden elkander, maar zij beweren niet doorloopend, dat de een den ander niet verstaat. Ofschoon zij beter dan de juristen weten, dat twee menschen elkaar nooit verstaan, omdat zij twee menschen zijn . Beiden zijn zij intuïtieve schrijvers van groot taalvermogen. Groot genoeg voor hunnen verstand-houdings-strijd. Maar de taal van de Nederlandsche juristen is voor hunnen verstandhoudingsstrijd niet machtig genoeg.
Eén voorbeeld: Prof. Krabbe tegen Prof. Struycken: „Het Rechtsgezag” bldz. 62 „Ik zie in deze aantijging slechts een misbruik van woorden”.
Omgekeerd: Prof. Struycken heeft uit „de Moderne Staatsidee” niet kunnen begrijpen wat Prof. Krabbe eigenlijk wilde: „een postulaat aan het menschelijk gemeenschapsleven stellen” of: „een synthetische beschrijving van de werkelijkheid van het positieve rechtsleven geven”. *)