108
der werkelijkheid, van werkelijkheid van het recht, van de rechts werkelijkheid van iederen dag, zonder dat hier voldoende klaarheid blijkt”. En bldz. 206: „Het is alles beeldspraak”.
Belangrijk zijn ook de beschouwingen van Mr. Gerbert Scholten in „Onze Eeuw” van Februari 1918 tegen het: „rechtssensualisme, d. i. de meening, dat men bij het onderzoek naar rechtsbegrip en rechtsbehooren geen andere bron heeft dan het rechtsgevoel, zooals dit spontaan op de werkelijkheid reageert”. *)
De significus zou het symbool „recht der werkelijkheid” aldus onderzoeken. Het is samengesteld uit twee zelfstandige naamwoorden „recht” en „werkelijkheid” verbonden door eenen genitief. Eerst wordt de beteekenis begrensd van „recht” en van „werkelijkheid”. Daarna wordt de waarde bepaald van de genitief-verbinding „der”.2) Misschien zou dan blijken, dat het geheele symbool niet bruikbaar is. En dat de correspondeerende intuïtie anders moet worden gesymboliseerd.
x) Belangrijk zijn de bladzijden 228 en 229. Het slot is slecht: „Zoo is het rechtsgevoel niet meer, maar ook niet minder dan de springplank, van waaraf we ons in elk onderzoek op het gebied van recht en gerechtigheid moeten storten”. Dit wordt niet gezegd als schertsende, illustratieve metafoor. Maar als ernstige, verklarende metafoor. Alsof de verhouding tusschen recht, rechtsgevoel en gerechtigheid kan worden verbeeld met een metafoor van een springplank.
2) Een groot aantal woorden dier aanhoorigheidsbetrekking vindt men bij Dr. J. M. Hoogvliet „Lingua” bldz. 150—152.