105
oogenblik dat deze de werkelijkheid wenschte te schetsen en te doordringen zocht zij naar nieuwe woordvormen. *) Zoo doen ook de groote meesters der rechtswetenschap, zoo deed boven allen Brinz. En in die vorming van nieuwe woorden ligt tevens een aanwijzing voor de toekomst der rechtswetenschap en van hare taal.
Ook de taal is n.1. een deel der werkelijkheid, gelijk deze zich aan ons voordoet.1) Als zoodanig is zij onderworpen aan de algemeene ontwikkelingswet en het zou moeielijk anders kunnen zijn. Wat2) de taal is in ons, gelijk wij in de taal zijn3), en de ontwikkelingsgang der menschheid is dus tegelijk ontwikkeling der taal.
Eenerzijds wil dit zeggen: afsterving, ontaarding van de woorden, van het ééne wat vroeger, van het andere wat later. Maar anderzijds: voortdurende geboorte van nieuwe woorden4), waarmede de schoone taak der rechts-
1
) Dat is maar héél betrekkelijk waar: „De taal”, dus niet: een bepaalde taal, is evenmin een waarneembaar deel van de werkelijkheid als het gezidht, het gehoor. En ,,de Nederlandedhe taal” is toch weer een minder zinnelijke entiteit als b.v. een penhouder.
2
) Dit moet zeker ,,want” zijn?
3
) Onzin. Klinkklank.
4