tie en later persoonlijk contact groeide een levenslange vriendschap tussen beiden; een vriendschap die veel ups en downs heeft gekend, maar hun karakters lagen dan ook ver uit elkaar. Toen De Haan in 1919 naar Palestina vertrok, schreef hij in zijn Heengaan uit Holland over Van Eeden: ״Het is twintig jaar geleden sinds ik, een jongen angstig voor het dreigende leven, zijn steun en vriendschap zocht en vond. Moeilijk zijn vele van die twintig jaren geweest. Ik heb alles beleefd, wat een Joodsche jongen in dezen tijd aan dwaling en aan keer beleven kan. Maar deze vriendschap, deze vereering is ongeschonden gebleven en onbeschaduwd tot op dezen dag. Dat zijn de gaven des levens, die ons met het leven verzoenen. Daar ben ik dankbaar voor. En het is goed, het is rechtvaardig, dat ik dezen dank hier open uitspreek. Ik ken geenen dichter en geenen geleerde, voor wien Holland minder dankbaar is geweest dan voor dezen. Verwey en Van Eeden zijn de vastheid geweest van mijn leven, de eerlijkheid en de trouw. Scheidend gedenk ik dat."
Van Eeden moet ook invloed hebben gehad op De Haans aanvankelijke studiekeus. Hij wilde als Van Eeden en Johanna van Maarseveen - met wie hij in 1907 in het huwelijk trad - arts worden, maar koos uiteindelijk voor de rechtenstudie. Het onrecht dat hij zich rond de Pijpelijntjes-aihke voelde aangedaan, moet hierbij invloed hebben doen gelden.
De vriendschap die Van Eeden voor De Haan koesterde, verhinderde hem niet afwijzend te staan tegenover Pijpelijntjes. Op 25 juni 1904 noteerde hij in zijn Dagboek: ״Ik las het afschuwelijke boek van Jacob de Haan." En op 8 juni 1909 typeerde hij in datzelfde Dagboek De Haan als ״de arme perverse zwaarmoedige man", maar ook dat hij de enige is die hem ״nog wel eens een vriendelijke brief schrijft".
Het was dan ook aan Van Eeden dat De Haan reeds in 1905 het manuscript van Pathologieën liet lezen in verwachting van een gunstige reactie en een mogelijke bemiddeling bij een uitgever, wellicht de Amsterdamse uitgever Versluys, die veel van het werk van Van Eeden publiceerde. Vergeefse hoop overigens. Vanuit Walden kwam het manuscript terug met een koel en afwijzend briefje.
Waarde de Haan!
Ik stuur u het boek terug, daar ik toch niet in staat ben het uit te lezen. Het begin is eenigszins imitatie van de ״Koele meren"
222