19.
René gaf hem het vergif in een kostbaar en kunstvol gouden doosje. De gedachten van Johan waren scherp en volkomen verhelderd geworden.
״Maar mijn god, René, waarom wil je dan toch beslist, dat ik mij doodmaak?"
„Dat wil ik niet... dat wil je zelf ... je kunt ook leven, zooals ik wil... als je dat later maar nooit waagt, dat je mij beschuldigt, dat ik de oorzaak van jou zelfmoord ben geweest."
„En dat verschrikkelijke vergif breng je mij in mijn handen ... wat ben je toch door en door slecht."
„Dat hoop ik," zeide René zeer vriendelijk, „zeker heb ik je, in je eigen belang, het vergif gegeven, en nog wel in zoo'n kostbaar gouden doosje, dat je houden moogt. Je ziet, dat ik tot in het uiterste rekening heb gehouden met je aanstellerig verlangen, dat je alleen kunstvolle en kostbare voorwerpen gebruiken wilt... trouwens, uitersten zijn de eenige mooie dingen van het leven."
25.
René zeide toen tegen Johan precies wat hij wilde:
„Je weet er dus alles van ... je schrijft aan je vader, dat je niet naar Italië komt, en dat hij ook niet naar Holland moet komen. En als je dat niet wilt, en geheel naar mijn verlangen wilt leven, dan geef ik morgen mijn prachtig boek uit. En als je dat niet beleven wilt, dan moet je maar zien, dat je voor dien tijd dood bent. In dat laatste geval nu kun je mij een genoegen doen met cyankali te gebruiken ... dwingen wil ik je tot niets ... je bent geheel vrij in je keus."
René ging daarna de kamer en het huis uit.
26.
Johan bleef achter radeloos. Zijn hoofd brandde van pijn en het stak zijne oogen aan, die overspanden. Hij zag hoe zijn leven was geweest... met zijnen vader, naar wien hij zoo verlangde, en dien hij niet bereiken kon... met het vrome meisje, Sien, door wier woorden hij soms htmelsch had gedroomd . .. met Paul Mans-
216