Johan keek in het boek, dat hij met tranen-verbrande oogen niet lezen kon, vaag in witte mist zag hij de teekeningen van René, die hen voorstelden in de oogenblikken van diepste innigheid en zeer-lijkste mishandeling.
19.
René vertelde vriendelijk verder:
״Ik behoef je niet te vertellen, wat zulk een kostbaar uitgegeven boek aan tijd en geld gekost heeft... gelukkig ben ik van meening, dat men zijn tijd en zijn geld toch nooit beter besteden kan, dan om een ander ten gronde te richten ... en ik moet zeggen, dat ik goed geholpen ben door eenen man, dien ik zeer genegen ben, en die ik tot dusverre nog nooit heb mishandeld, omdat ik bang voor hem ben ... dus die heeft wel verplichting aan mij ... wil ik je er een stuk uit voorlezen?"
״Nee ... je martelt mij."
״Dat geloof ik ook .. . dus, je vindt het niet noodig, dat ik je dat voorlees?"
״Nee..."
„Dat vind ik heerlijk, dat je dadelijk gelooft, dat ik de waarheid heb geschreven en geteekend ... ja, de waarheid is soms bijna even mooi als de leugen ... zie je Hans, ik heb het boek daarom op zulk eene voorname wijze klaargemaakt, omdat ik wil, dat iedereen dadelijk zal zien, dat dit geen schandaalboekje is, maar een zeer belangrijk kunstwerk . . . zooals ik je al zei, de teekeningen zijn echt van mij en de tekst is namaak van jou onzinnig proza, dat ik zoo prachtig vind."
„Goed ... ik hoor het al, dat je op het laatst nog eens alles doen wilt om mij aan jou misdadige macht te onderwerpen ... maar heb je er niet aan gedacht, dat je ook je eigen naam schade zult doen?"
„Nee," zeide René met eene zuivere verontschuldigende stem: „zelfzuchtig ben ik nooit geweest en aan mij zeiven heb ik niet gedacht ... het is slecht van je zoo iets te zeggen."
20.
Johan en René zaten beide zonder te spreken en zonder te bewegen in het warme licht. Johan wist zeker, dat hij heden vernietigd werd. Hij zeide:
213