breede steden niet zoo veel meer dan twee grijze vlekken op lichttintende horizon. Wanneer de zomerzon onderging tintelde die wit op het hooge kruisdak van de Groote Kerk van Haarlem in het Westen. Dan was het of daar geene stad stond, maar een eenzaam en hoog huis. Maar Johan wist, dat dit huis zijne Kerk was en dat daaronder eene breede stad gespreid lag.
Wanneer de zon was ondergegaan en het licht was duister geworden, dan staken de menschen, die in grooten getale de stad van Amsterdam bewonen, meer lichten aan dan er menschen zijn. Dat maakte de duistere stad verguld van licht, zoodat tegen het hooge blauw van den hemel goudgele weerschijn spande. Het geleek dan voor Johan alsof de hemel innerlijk vol geel licht brandde en alsof dat licht naar de duistere avond-aarde toescheen om die te verheugen.
Wanneer de lucht tusschen aarde en hemel niet helder was, maar wel vol damp, dan was de weerschijn van de lichten van de stad niet fijn gespannen geel, maar dof dampend rood, alsof de geheele stad in brandende nood verkeerde.
10.
De lage veenlanden hadden in den avond lange sloeries van licht van de lage dorpen van de Zaanstreek. Alle lichten spiegelden in de stille wateren van die lage landen. De lampen in de dorpen werden tijdiger gebluscht dan de lichten van de sterke levendige stad. Dus werd het veenland vroeg donker. De molens schimden duister, groot. Wanneer het windgetij gunstig was maalden zij reusachtig, stil, zonder schaduw, omdat de nacht geen licht daarvoor had. Door de stilte galmde roep van eenen balkenvlotter of van eenen houtzagers-werkman.
11.
In het huis leefden gewoonlijk, sinds den dood van den ouden molenaar, drie menschen. Een daarvan was een zoon, een jongen op jaren al, maar die nog steeds gewillig in den dienst van zijnen moeder leefde, en veel beheer en werk van den molen deed.
De moeder was oud en op weinig gezichtsvermogen na geheel blind geworden. Zij leed ook aan eene beenderen-ziekte, die haar
208