schen daar wel schrijven, dat je niet komt, en dan blijven wij rustig bij elkander wonen."
Maar dit lichte gezegde brak spanning van Johan.
„Nee," zeide hij, „ik heb besloten en gekozen en ik ga morgen weg."
„Dus je doet het?"
„Ja ... om zelf niet onder te gaan."
„Dan ga ik onder."
Johan bewoog zich met veel moeite van René af.
Den volgenden dag woonde hij buiten de stad op het land tusschen Westzaan en Nauerna.
8.
Johan werd rustig door te wonen met de menschen De Boer, die aan den dijk hun huis hadden, en in diepte van waterrijk land daarbij hadden zij hun molen, die met houtschuren samengebouwd alleen op een eilandje stond. Rondom dat eiland spoelde diep en helder water. In het water lag een schuitje licht in de vaart tusschen molen en woonhuis. Het schuitje was lichtrood en lichtgroen geverfd. Johan gebruikte het dikwijls gaarne in het vele water van deze landstreek.
Het huis was in de kluft van den dijk op de gewone wijze gebouwd. Het had geene twee kamers achter elkander, en dus had de ééne kamer over de geheele diepte van het huis gelegen, een dubbel uitzicht.
Vooruit zag Johan op kleigrond, die voor bouwland werd gebruikt. Naar achteren keek hij ver over laagveenlanden, die grasvelden waren. De lage veenvelden spoelden vol diep water, en zij stonden volgebouwd met hooge molens, die in de heldere zomernachten grooter geleken, dan op de zomerdagen. De kleilanden hadden geen water en geene molens, maar zij hadden lichtgele akkers van bloeiend koolzaad en donkergoud-bruine velden van gerijpt koren.
9.
Over de kleilanden vooruit zag Johan tot Amsterdam en vandaar tot Haarlem. Op warm-dampende zomerdagen zag hij van deze twee
207