gaan, uit angst en medelijden voor René, dien hij ook niet naderen durfde uit angst voor zijn eigen behoud. Hij dacht toch: ״zal ik René schrijven, dat ik zie, dat hij zoo in verval leeft, en dat ik zulk een medelijden heb, dat ik daarom mij nogmaals aan eene samenleving met hem wagen wil."
Maar uit vrees schreef Johan toen niet, daarentegen schreef René aan hem:
״Hans, wil je nog eenmaal naar mij luisteren, ook al heb ik je nog zoo bezeerd? Ik behoef je niet te zeggen, dat ik ziek ben in mijn lichaam en in mijn ziel, want dat zie je wel. Ik kan niet leven en niet werken, zonder, dat ik weet, dat jij me genegen bent. Ik ben nu niets meer.
Hans, als je morgen vertrekt, ben ik morgen vernietigd. Ik vraag je, of je nog eenmaal bij mij wilt komen. Je kunt dat veilig doen, want ik zal je niet weer beleedigen of bezeeren, want ik heb mijn kwaad overwonnen. Ik zal je dat bewijzen, wanneer je mij vertrouwen wilt. Ik bid je om dat vele vertrouwen, hoewel ik weet, dat ik dikwijls mijne beloften gebroken heb, nadat ik die aan je had gedaan.
Ik kan niet zonder jou leven, vooral niet nu ik zie, dat jij het zoo goed zonder mij kunt.
R. R."
45.
Johan las meermalen dien brief, en hij dacht over hunne twee levens na. Hij schreef naar het huis bij Westzanen, dat hij zich plotseling verhinderd gevoelde in zijne overkomst, maar dat hij binnen den tijd van eenige dagen kwam. Johan bracht dien brief zelf in vreugde naar de post. Hij ging toen niet in hun huis, want hij bezocht verschillende steden in Haarlem, die hij gaarne zag, want hij voelde zich beter, en volkomen daartoe in staat.
Later zeide hij tegen de oude vrouw, dat het hem vol moeite viel, dat hij morgen van hen weg zou gaan wonen, en dat hij dientengevolge naar Westzaan had geschreven, dat hij nog niet kwam. De vrouw was verheugd, maar de blinde man, met een dieper begrip, zeide, dat Johan bleef om René, en dat hij wist, dat daardoor weder allerlei moeilijke verhoudingen zouden worden hersteld.
202