René sprak zóó doordringend bedaard, alsof hij Johan overtuigen wilde in eenen tweestrijd, die fijngevoelig en moeilijk van inzicht was. Johan dacht, rillend van angst: ״hij is scherp krankzinnig geworden ... maar als hij slaat, wat moet ik dan doen? Mij zonder verweer laten stukslaan? Of mij verweren, wat geluid maakt in den nacht in huis?"
35.
René sloeg Johan, en hij was daarbij niet woedend, maar hij was daarbij wel zeer bedaard. Het bovenbed en de kleederen scheurde René van het lijdelijke lichaam van Johan. Hij sloeg hem met slagen, die floten en wervelden. De handen van Johan werden stukgeslagen, en zoo ook zijn gezicht. Hij wentelde rond om zich zeiven van die pijn, maar hij gilde het van smart niet uit, want hij hield zijn keel kreunend dicht, om de twee bewoners niet verschrikkelijk te wekken.
Ineens brak de slaande kracht van René. Hij keek naar Johan, met oogen alsof die zich verwonderden, en hij ging voort.
36.
Johan bleef liggen, vernietigd door razende pijn. Zijn gezicht was vol bloedende openingen geslagen, ook eene van zijne handen was zoo. Zijne voeten, die zich zooeven gesloten hadden na vroegere verwondingen, waren weder bloedrijk heropend.
Hij was flauw van pijn, met heete oogen en toch dof van de slaap. Johan kroop van zijne bedstede af. Hij waschte de haveningen van zijn lichaamsdeelen met koel pijnstillend water. Daarbij had hij een voortdurend gevoel, alsof hij nog wel bewust leefde, maar daar dadelijk onbewust nedergeveld zou worden. Hij lette op de schaamte van zichtbare wonden, vooral op zijn gezicht.
Hij had toen een weenend medelijden met René, dat die zóó verdorven was, dat hij niet langer leven kon zonder mishandeling van de menschen, die hij het meest genegen was. Maar Johan dacht beslist, dat hij wegens medelijden jegens René toch niet langer blijven kon. Want eene eenvoudige liefde van René was sinds langer dan een jaar onmogelijk gebleken, en de wilde, woedende liefde van René was gevaarlijk voor het leven van Johan.
198