van mij en overmacht van je-zelven, waardoor mijn verstand en mijne proza-kunst volkomen zouden buigen en breken. Ik ben te goed om door jou te worden mismaakt, al was ik tot dusver niet in staat mijne goedheid te handhaven tegen jou misdadige kwaadwilligheid.
Je hebt mij dikwijls tot eene volkomen onderworpenheid aan jou bedoelingen gebracht door middel van eene bedreiging met zelfmoord. In mijnen vorigen toestand heb ik die bedreiging vertrouwd en gevreesd. Maar nu niet meer.
Je hebt mij ook bedreigd met eene openbaarmaking van het wezen van onze liefde, en van onze brieven, meer in het bijzonder aan mijnen vader. Dat kun je gerust doen, maar het is onnoodige moeite gedaan, want ik zal dat zelf wel doen. Hetzij in Augustus, wanneer wij in Italië in Toscane reizen of in October, wanneer wij in Cuilem-burg in ons huis wonen. Ik weet wel, dat mijn verhaal voor vader afschuwelijk is, maar ik weet van vader ook, dat hij mij verder volkomen tegen jou beschermen zal, wanneer dat noodig is.
Indien je onzen naam schande wilt doen, moet je dat maar voor je eigen zelfgevoel verantwoorden. In het ergste geval zullen wij ons buiten 's lands vestigen.
Je ziet, dat ik van toestand veranderd ben,
Hans.״
30
Johan lag zonder pijn en zonder ongeduld op zijne slaapplaats. Hij keek naar de lucht, die in den stillen nacht zoo licht was als met den morgen, maar blauwer, dieper, roerloozer.
Hij hoorde René aan de buitendeur en binnen in de trap, waar hij nu den brief van Johan vond, opnam en las. Het hart van Johan klopte toen in borst en keel. Hij vreesde ineens, dat René weder met het leven van afmattend zwijgen beginnen zou, en zijne huid rilde.
Maar René kwam in de kamer van Johan, stilweg en bescheiden. Den brief had hij in zijne hand. Hij stak het licht van de lamp van Johan aan, en zat matig bij diens bed, zoodat Johan hem niet begreep.
„Hannie," zeide René toen met matte trillende stem: „ik heb je brief gelezen ... je hebt wel gelijk, dat zie ik nu in . . . ik ben bereid weg te gaan."
195