smeekschrift was.
״René, ik bid en smeek je om rust. Ik ben zoo ziek, dat iedereen in huis, in de stad, en in school het bemerkt. Ik kan niet tegen je op. Je dreigt voortdurend met je zelfmoord. Ik weet niet, of je daartoe werkelijk bereid bent, maar jij weet, dat je mij daarmede volkomen in je macht hebt. En welk gebruik je van die macht maakt, dat gevoel ik aan mijn lichaam en aan mijn geest.
Ik bid en smeek je dus om rust.
Hans."
22.
Na dien brief kwam geen schriftelijk antwoord van René, die ook mondeling aan Johan niet bemerken liet, dat hij den brief ontvangen en ook overwogen had.
René zette zijne mishandelingen voort, zonder matiging en gemak. Johan leefde daar duldend in mede, zonder weerwil, alleen angstig voor zijn goeden vader, die in Augustus van René juist en volkomen vernemen zou, hoe vreeselijkerwijze zijn leven met René was geweest.
Voor de school werkte en leerde Johan niets meer, omdat hij het niet kon, omdat hij te veel pijn had.
De onderwijzers lieten hem zitten voor wat hij was: een jongen, wiens vroeger goede verstand, in een ziekte zoo stil als de dood onderging. Met bleeke, bolle oogen was Johan in de lesuren. Hij hoorde dikwijls gedurende langen tijd wel geluid van de les, maar geene woorden.
De menschen van de school begrepen niet, hoe die jongen, van vroeger van voortreffelijken aanleg, gedurende eenige maanden wegviel in bleeke deernis.
23.
De gedachten van Johan vielen door elkander heen, want zijn hoofd raakte verward en suf, want René liet hem dikwijls weinig of geen nachtrust of rust over dag. Wanneer hij slaap had, was deze van minderwaardig gehalte. Johan droomde voortdurend, luide droomen van de hel vol bloed en mishandeling. Hij droomde toen ook op schandelijke wijze van Paul Mansfeld, zijnen vader, en van
191