goeden vader verborgen hield. En dat hij zich dus zedelijk verplicht achtte aan dien slechten toestand een einde te maken.
14.
Johan durfde op deze zonnevolle dagen niet over de witte, lichte, breede Markt te komen, bang daar hij was voor vellende duizelingen. Hij zag nu nooit meer de Groote Kerk in geheele bouw. Schuw voor licht, stil en voorzichtiglijk liep Johan in de schaduw-straat achter donker-hooge kerkmuur. Hij vreesde, dat hij viel.
Buiten het woonhuis kwam hij uiterst weinig, wanneer het niet beslist noodig was. Buiten stad, te lande, kwam hij zeker niet meer. Hij zag geene weiden, duinen en geene zee. Zijn lichaam was dicht bij den laatsten val, zoo ook zijn geest.
15.
De ondergang van Johan werd open en bloot, zichtbaar voor iedereen, ook zonder bijzondere oplettendheid. De broze kleuren van zijn gezicht verdoften; hij kreeg het gezicht alsof hij maanden lang op een bedlegerige wijze was ziek geweest. Zijne strakke, sterke, heldere oogen rimpelden dof en vaal. Zijne handen schudden zenuw-ongezond als de handen van eenen ouden leeggeleefden man. De blinde merkte zijne ontsterking door telkens breken van zijne stem, die vroeger gaaf was, glanzend. De oude man sprak Johan te eindelijke stil en voorzichtigerwijze aan, smekende te weten, wat er gebeurd was en gebeurde. Johan zeide, dat er niets was, waarvan hij meende, dat de wetenschap voor vreemden belangrijk was. Nu wetend, dat men verval van hem bemerkte, schuwde hij zich veel verder van iedereen terug. Hij bleef alleen met René, van wien hij op den duur nog inniger afhankelijk werd.
16.
Zijn schoolwerk geraakte in snel verval, toen Johan een machte-looze in zijn leven werd gemaakt. Zijn ontkracht verstand liet het vroeger goedgekende vallen, zoodat hij geheele boeken van de leerstof miste, alsof hij daarvan nooit wat had geweten. Johan kreeg toen eerst opmerkingen, daarna aanmerkingen. Maar hij was bitter
187