samenwonen in Holland. Want zijn leven was door René volkomen juist omgekeerd, want het geluk kon hij niet bereiken, en het ongeluk werd aan hem opgedrongen.
7.
In dien tijd had hij droomen van innigheid, die zich op den half-Hollandschen jongen Mansfeld betrokken. Johan schreef toen dien jongen aan, dat hij toch in de nabijheid komen moest en dat hij hem dan op Breda bezoeken kwam. Hij reisde in zielszieken toestand van Haarlem naar Breda, alleen sterk gehouden door fel verlangen.
Maar dat verlangen brak van teleurstelling, want de duistere stille jongen was een sterk-rumoerende vent geworden, die veel dronk en vloekte, haveloos. Hij sloeg Johan diep neer.
8.
Onder den terugweg naar Haarlem naar huis woonde hij gedurende eenen dag-en-nacht in Cuilemburg in zijn eigen huis. Nu zag en hoorde hij zoovele voorwerpen uit de jongensjaren van het geluk. In de kleine stad zag hij: Binnenpoort, Raadhuis, Markt, Haven en Rivier. Hij zag hun huis van buiten; het kostbare trappenhuis daarin; de witte twee portalen beneden; het donkere portaal boven; de hooge oude klok; en den tuin met straatweggetje en grasplaats. Hij hoorde: het geluid van de hooggehangen torenklok; het geluid van de heldere deurbel, en de twee geluiden van de gangklok.
's Avonds gevoelde Johan, dat hij gelukkig was. In namelooze verrukking schreef hij daarna eenige bladzijden proza.
9.
De oude, vrome vrouw Sientje sprak met Johan goede woorden. Zij was dankbaar voor den avond van haar leven, die zoo stil en zonnig was. Daarvoor dankte zij den goeden God en den vader van Johan. Zij zeide ook, dat God altijd uitkomst gaf in het hoogste van de nood, en dat Johan daarop vertrouwen moest in dat heidensche huis te Haarlem, waar God noch goede geboden werden gediend.
184