19.
Johan antwoordde toen gematigd en gelaten:
״René, je baldadige brief verwonderde mij niet en bedroefde mij niet, want er is al zooveel gebeurd.
Ik zie zelf ook wel, dat ik onderga, omdat ik niet van jou scheiden kan, deels niet uit angst voor je zeiven, deels niet uit vrees voor jou wraak. Dat weet je dus nu precies.
Je ziet wel, dat ik je niet meer vraag om je te matigen en je te veranderen. Jij kunt evenmin zuiver in je liefde wezen, als ik onzuiver.
Dat ik je ontmoet heb is mijn noodlot. Ik heb dikwijls geprobeerd van jou los te komen, maar juist daardoor ben ik vaster aan je verbonden geraakt.
Gegroet van Hans."
3.
De staat van Johan geraakte in verder verval. Hij dacht nog dikwijls over inzicht en uitkomst, maar de volkomen gesloten begrenzing zijner dankbare vermogens was deze: ״ik kan niet van René af, want dan gebeuren er ongelukken ... en ik kan niet bij hem blijven, want dan gebeuren er ook ongelukken."
Johan begreep volkomen juist, dat zijn levenstoekomst niet meer in verband stond met zijn eigen weten en werken, maar met den toestand van verzadiging van de grillen van René. Hij schaamde zich over zulk eene verregaande maat van onafhankelijkheid.
4.
Het was vreemd, maar Johan dacht in die gedaalde dagen meer aan zijn leven te Cuilemburg, dan aan zijn leven te Haarlem. Hij verlangde naar zijnen vader, die in Europa in Italië in Turijn woonde en werkte. Zij schreven elkander geregeld brieven van diep-innige genegenheid, totdat zijn vader schreef:
״Mijn beste jongen Hans, doe dit jaar je eindexamen, en kom daarna bij mij in Italië, dat is een even mooi land als Holland. Er zijn kleine steden in Toskane, die als een wereld vol schatten zijn.
Je bent nu volwassen en je gevoel is vast geworden voor je geheele
182