vrienden zijn even gevaarlijk als onvoorzichtige vijanden.
Natuurlijk, als ik jou verraad, dan verraad ik ook mij zeiven. Maar daar heb ik op het oogenblik niet zoo heel veel bezwaar tegen. Want het zou eene geheele verandering in mijne verhouding tegen sommige mijner bekenden brengen, en alle verandering is verbetering.
De menschen kunnen mij niet veel maken. Ik kan naar een vreemd en vrij land wijken, en daar evengoed werken, en overal zijn wel jongens om te beminnen en te mishandelen. Ook kan ik monnik worden en de drie geloften breken.
Maar wat zou jij moeten beginnen? Je wilt dokter worden. Daar heb je, geloof ik, geen bezwaar tegen. En je wetenschappelijk verstand is goed genoeg, hoewel ik, tot mijn genoegen, heb gemeend te bemerken, dat het minder wordt.
En geloof je nu werkelijk, dat je als arts eenige zaken zoudt te doen krijgen, waneer de menschen in het algemeen je gevoel kenden? Je zoudt niet eens kunnen afstudeeren, want daar zouden de studenten wel voor zorgen.
Je hebt gezien, wat en hoe je vader gedaan heeft, nadat hij van je gevoelsleven de afwijking had vernomen. En geloof je, dat de andere menschen anders zouden doen? Je liefstille blinde zou je het eerst versmaden, daarna zijne liefstille vrouw. Of de vrouw het eerst, daar ben ik nog benieuwd naar, om dat te weten.
Hans: bedenk dit alles goed. Als je domme dingen wilt doen, wat ik heel verstandig vind, doe ze dan tegen andere menschen, maar niet tegen mij.
Misschien krijg ik binnen korten tijd meer dan genoeg van je, zoodat ik je dan loslaat en je vrij bent. Maar zoo ver ben je nu nog niet.
Ik houd nog heel veel van je Hans, dat is beslist waar, al ge-looven jij en ik daar niets van. Je moet mijne brieven niet zoo bewaren en telkens overlezen. Dat maakt je maar bedroefd. Neen, een gelukkige jongen ben je niet door den last van je liefde voor mij. Het is heel ongelukkig, als twee menschen van elkaar houden, want dan blijven ze bij elkander en maken elkander slecht.
Dag beste jongen, dag Hans,
R. R."
181