DERDE HOOFDSTUK
1.
In den tijd van zooveele martelingen ten laste van Johan schreef René hem dezen volgenden brief:
״Beste jongen Hans, je bent niet meer voor mij te vertrouwen. Misschien weet je dat zelf nog niet, en meen je juist, dat je geheel afhankelijk van mij bent, maar dan is die meening eenvoudig verkeerd, gelijk al je meeningen verkeerd zijn.
Je hebt de laatste dagen inderdaad al mijne pijnigingen op onderworpen wijze geduld. Soms zelfs iets te lijdzaam, zoodat ik naar eenig verzet van je verlangde, dat opwekt.
Trouwens: je hebt wel veel van mij geleden, maar toch ook veel van mij genoten. En een leven van hooge vreugd en diep verdriet is beter dan een vlak gelijkmatig leven. Misschien meen jij, dat het anders is, maar zooals je niet weet, zijn al je meeningen verkeerd. En in allen gevalle, kun je niet leven, zooals je zelf meent, dat goed is, maar zooals ik meen, dat goed is.
Ik vrees, dat ten slotte je verdriet om mij groter zal worden dan je genot, want ik word hoe langer hoe scherper in mijne verlangens, en jij wordt hoe langer hoe meer vermoeid.
En nu wil ik je in mijn belang waarschuwen, dat je mij niet verlaten moet. Want ik weet nu zeker, dat ik mij verdrinken zou of vergiftigen met cyankali, waarvan ik genoeg bezit. En hoe zou je denken, dat daarna je leven is?
Misschien zou ik mij ook niet verdrinken of vergiftigen, want ik geloof, dat jij nog wel eens aan een zelfmoord sterven zult, en dat wil ik graag beleven.
Als je van mij weggaat zal ik heel eenvoudig alles van onze merkwaardige verhoudingen van onze liefde aan iedereen bekend maken, met openbaring van al je brieven aan mij. In de eerste plaats zal je vader het weten. Je weet precies, hoe die over ons gevoelsleven denkt, en je weet dus even zeker en volkomen, hoe aangenaam hem deze wetenschap wezen zal, en hoe zeer zij bevorderlijk zal zijn voor de mogelijkheid van eene samenwoning in je huis aan de Markt in Cuilemburg.
Ik zeg je dit niet, om je te bedreigen, maar alléén om je te waarschuwen tot voorzichtigheid, die ik noodig heb. Want voorzichtige
180