19.
René was in het onderste deel van hun huis gekomen. Dat hoorde Johan met vele gewone geluiden. Eerst voelde hij in de brievenbus. Daarna keek hij op de vastgestelde plaats bij de trap of daar brieven en drukwerken lagen. Toen kwam hij met stille voeten de trap op, die kraakte op de drie gewone plaatsen.
René ging binnen in zijne eigene kamer. Johan hoorde, dat hij met water waschte en steenen dingen bewoog. Johan vreesde, dat René niet komen zou, maar wel weder begon met afmattende dagen van begriploos zwijgen. Met brieven van dreigen en vermanen, waarop geene handelwijze volgde. Johan luisterde in de stilte, en hij hoorde den man niet meer. Kwam die dan niet? Johan verlangde toch zóó, dat René komen zou met geweld, waartegen verzet mogelijk en nuttig was.
16.
Johan hoorde toen René uit zijne kamer loskomen, die naar de kamer van hem kwam. René had licht in zijne hand, zoodat licht dadelijk brandde tegen zijnexoogen, die zwart donkerden. Johan vreesde toen niet. De stem van René kreunde neergehouden, want de oude menschen woonden en sliepen beneden in het huis.
״Waarom ben je niet gekomen," zeide René met zijn hoofd bij het hoofd van Johan.
״Omdat je het mij op onbehoorlijke wijze gezegd hebt."
René zette zijne vlambare lamp op de tafel; hij lachte matig en zacht, zeggende:
״Dat is bijna een even goed antwoord als ik geven zou ... ik vind het heel pretig, dat je je tegen mij verzet... ik houd niet van dingen, die ik gemakkelijk krijg."
Verder zeide hij:
״Je bent niet bij mij gekomen ... goed, dan kom ik bij jou . .. dat moet je toch heerlijk vinden, dat ik bij jou smeken kom . . ."
„Nee," zeide Johan kort: „dat vind ik precies even afschuwelijk ... in een leven als van ons tweeën is heerschen even slecht als beheerscht te worden."
„Dus je wilt beslist niet, dat ik bij je blijf? Je houdt toch van mij ... dat weet je wel."
„Ik wil niet mishandeld worden en vernederd ... en dat doe je
177