geweest. Hij begreep nu volkomen, Johan, dat hij René had moeten helpen over de volmaakte slechtheid van sommige van de neigingen van zijne liefde. Hij had dit nooit gedaan, maar wel was hij ver-standigerwijze op zijn eigen behoud bedacht geweest. René kon te Londen of in eene andere grootstad zoo wildweg leven, dat zijn dood er op volgde. Eveneens kon hij in het felle, snelle leven eener stad zich aan een gemoedsmisdaad schuldig maken.
Johan zag in, dat dit dan beslist zijn schuld zou wezen.
Zijn geest was zwart van voortdurende zelfbeschuldiging.
3.
Dagen, dagen, dagen, reekten strak overspannen in hunne woning voort. Er werd over René niets gesproken, maar zij wisten alle drie van zich zelf en van de twee anderen, dat zij voortdurend aan hem dachten.
Na eenen geheelen dag van doodsangst en zelfverwijt bleef Johan van den avond tot den morgen wakker. Hij had koorts in zijne hersenen, zijne oogen, zijne handen en langs zijnen rug. In de tijden van die nacht schreef hij naar alle woningen, waarvan hij wist, dat René erin verkeerde. Maar in besliste terugtocht kwamen alle brieven behalve een daarna terug, en de dagen bleven overspannen stil. Johan kon niet meer naar school gaan, niet buiten het huis komen en niet binnen het huis blijven. Zonder hulp en hoop verviel hij, zoodat hij op onnutte wijze hier, daar en overal leefde. Als het dag was verlangde hij naar de nacht, en als het nacht was verlangde hij naar den dag. Hij leefde dus zonder René in ellendiger toestand naar lichaam en naar geest, dan hij met René geleefd had.
4.
Aan de school kreeg Johan eenen brief van René. Nadat hij daaraan had gezien, dat deze leefde en vrij was, werd Johan gestild en gerust. Verder was hij geërgerd tegen René, dat die hem in zulke diepen van angst voor den dood had neergestort. Ineens was het onbegrijpelijk voor hem, waarom hij en de twee oude menschen altijd opnieuw afhankelijk van angst werden voor René, die telkens wildweg verdween, maar ook kalm en behouden naar zijn stad naar huis keerde. In den eersten tijd wilde hij den brief niet eenmaal eens
169