PIJPELIJNTJES
Even acht uur zocht ik de sleutel, op onze stoep staand, vond die niet, belde.
Toos deed open en dag-mijnheer-de zachtjes naar gewoonte. Mijn stemming was moe.
- Zijn ze d'r allemaal?
—Ja, m'neer... de huisjuffrouw zingt.
Toen ik de deur open deed, werd 't een waarschuwend gesus in de kamer, maar ze zagen, dat ik 't was en ze riepen allemaal, dat daar m'n plaatsje opengehouden was, daar achter de kachel.
- Naast Anna, lolde de man van de huisjuffrouw en daar lachten ze allemaal ruwrossend om. Maar de huisjuffrouw toorn-rood hield op, met een plotselinge eindschok en een vreemd-vragend kijken van haar ogen.
- O, bent u daar, m'neer Driesse? 'k had u niet eens horen komen.
- Maar zing u gerust door, u weet ik hou van muziek.
-Ja, zing u 't hele vers nog eris, riep juffrouw Meks, m'neer Driesse hèt d'r verstand van.
En toen riepen ze allemaal, ja juffrouw Bramer u moet nog eris zingen, en, juffrouw Bramer laatje niet nooie, en toen zong de huisjuffrouw.
Stond groot in 't midden van de tafel en 't lamplicht plaste geel over d'r rood gezicht...
- Vooruit dan maar.
Zwaar met haar grelle1 schrilstem schokkend begon ze, en ze keek strak-starend in de verte om niet afgeleid te worden. Hevig luisterden we allemaal:
Waarom loopt men arm in arm In de maneschijn, Waarom klopt het hart zo warm Vrij van zorg en pijn? ...
i. Schelle
8!