JACOB ISRAËL DE HAAN
- Gommie, zo had-ie net uit de rolle kenne gaan... nou hoe doet u nog? U komt toch zeker wel efïe?
- Komen d'r veel mensen?
- O, gossie nee, helemaal niet... laat ik maar d'ris tellen... nee telt u, dan noem ik ze effen op... de huisjuffrouw met d'r man en nichie uit de Van Wou en de tante van de kinderen en juffrouw Lepelaar nou en u, as u komt en dan wij natuurlijk, Anna en Alex en Toosie. Maar u begrijpt, die mag niet helemaal opblijven, ze krijgt één koppie thee en dan kan ze gaan.
—Ja, dan is 't goed, dan kom ik maar 'n kopje meepakken.
- O, dat is heerlijk... en as u 't goedvindt wou ik 't wel op u kamer doen... heb u d'r wat op tege... die is ruimer dan voor.
- Nee, gaat u maar, ruim de rommel dan maar wat op... maar gooi de boel van m'neer Sam niet doormekaar.
Dan een eind door de stad lopen. Voelde me slap en bleekwit en wilde niet een buitenstadSeind gaan, waar 't zwart en lichtleeg zou zijn.
De Utrechtsestraat. Daar helderde het gele licht van de winkellampjes bleek-overblauwd door 't boogbollenlicht... nou links houën, dan zie je de mensen vlak in hun gezicht, dat 's prettiger dan al die ruggen en dan hard lopen, net of je haast hebt... jezes, wat komt daar 'n leuk jong aan... wat 'n grappig benenbeweeg en wat lekker-fijn in z'n kleren en wat 'n prettige ogen... voorbij alweer.
Nee, nou niet zo weg laten wippen, even nog kijken.
Achter de jongen liep ik vlug terug en bekeek hem even bevend. Voelde, dat ik bleker werd en duizelig.
Toen mij zelf sterk-dwingend de Utrechtsedwarsstraat in... liep de Reguliersgracht een eind, en triestend alleen kwam 'k weer terug in de lichte stad-in-de-stad1.
i. Centrum
80