VII. MENSEN OP DE THEE EN NIET VOOR MEISJES
Sam moest naar Utrecht voor twee dagen en 's zondagsmiddags tegen donker liet hij me alleen. Na de dood van de witte dief was scherpgescheiden van 't vorige leed, een goede tijd voor ons gekomen. En 't liep nu tegen de lente weer aan, dan werden we inniger na sinistere winter.
In de schemerende kamer stond ik te kijken naar 't verdonkerende licht voor me, en in de kamerhoeken dikte 't duister dicht. De wekker sleepsloeg langzaam zijn tijd en vlugscherper tinkeltikte 't metalen muurklokje erdoorheen. Ik luisterde ernaar en probeerde de twee geluiden te scheiden, totdat m'n oren pijn deden en een strakke suisstilte in mijn hoofd ruiste, licht tinteltrilde voor mijn ogen.
Er werd geklopt, 't Tintellicht met 'n schokje stil, vervloeide.
- Binnen... bent u 't juffrouw Meks?
-Ja, daar ben 'k. 'k Wou u vrage of u misschien vanavond zin hebt 'n koppie thee met ons te drinken.
- 'k Weet 't niet... ik heb wat hoofdpijn vandaag... wil u 't licht even opsteken?
-Ja, waar zijn lucifers...
Mijn ogen wilden staren, keken telkens naar een vastlichtend punt... nee nou niet bij juffrouw Meks op de thee gaan... dan werd 't weer zo brutaal en zo druk...
De lamp schommellichte even... juffrouw Meks liet de gordijnen vallen, met een harde rinkratel...
79