JACOB ISRAËL DE HAAN
-Je hebt leuke dingen hier1, zeg Joop, ik kom afscheid nemen.
- Ga je weg? Waarheen?
- Ik ga 'n poosje naar Tessel... ik voel me zo slap en zo moe... ik denk een paar maanden weg te blijven en dan gaan we dadelijk trouwen.
- Gaat Toon mee?
- Nee... dat kan immers niet.
Hij stond in een schoorsteenhoek, en 't fijne licht schuin-scheen schaduwig over z'n ronde gezicht. En toen ik hem aankeek voelde ik ineens wenende weemoed in mij ophuilen, niet meer om hem, maar omdat hij weg was, zoals ik hem vroeger liefhad... en ik stond op om 'm te zoenen weer... eenmaal nog. Maar mijn verlangen zwikte en zwak zei ik:
- Wanneer ga je?
- Morgenochtend.
- Wat wil je vanmiddag doen? Wil je bij mij blijven en willen we dan samen maar ergens gaan eten?
- Nee... ik wil maar liever dadelijk naar huis gaan.
- Dan breng ik je.
Samen liepen we de drukke middagstad door, zwijgend. Lente luwde al in de lucht en dat maakte mij weekbedroefder, met vaag nietweten waarom.
- We lopen nou net als vreemden.
- Zeg, tob daar nou niet om.
-Jawel... dat vind ik zo lam. Zie je, als ze verleden jaar gezegd hadden, dat wij zo leeg naast elkander zouden lopen, dan had ik 't immers nooit geloofd... en jij?
- Nee...
i. De Haans zuster, Carry van Bruggen, die in januari 1904 naar Indië was vertrokken, stuurde haar familieleden 'prachtige dingen', vertelt Mies de Haan in haar herinneringen. In P 2 ziet Hans dan ook een mooie batik
234