PIJPELIJNTJES
ander... zonder boterbriefïe hoor, ik wil ook wel eris 'n eigen thuis hebben.
Platweg aten we vort, eigenlijk verlangend weg te wezen. Er was niets meer in Sam van vroeger en hij praatte enkel maar van zijn buitenwonen en rust en ik soesde hoe hij zo veranderd was door het meisje.
- Zeg Sam... heb je nooit weer zin iemand te slaan ofte knijpen, zoals vroeger?
- Nee... dat 's allemaal geweest.
- Zo... dat 's leuk.
Maar ineens overgolfd door een weke tederheid stond ik op aan de afgegeten rommeltafel.
- Sam... we zijn lang zo intiem geweest... je moet me later niet helemaal versloffen.
- Nee, zei-d-ie bedaard, je mag bij ons komen logeren zovaak je maar wilt.
Die avend dwarrelden we om en om, de drukke stad door tot laat toe. En dan tegen tien uur zei ik het kalmrustig:
- Sam, ik ga naar Koos... Ik kom vannacht niet thuis... we hebben nu een eigen kamer.
Drie dagen daarna raakte ik weer thuis droevig doordroefd en dronken.