JACOB ISRAËL DE HAAN
doen was. Jé, wat 'n aardige piccolo daar... wat 'n leuk snuit... 'n beetje bleek, maar wat voornaam met z'n grootdoenige deftigheid als hij iets bracht... brood of suiker voor m'n spuitwater.
We zaten ieder aan 'n kant voor 'n middentafeltje en keken de zaal om en rond tot de soep kwam, maar Tonia en Sam intiem-pratend en zij telkens met kleine uitroepjes van blijheid. Alleen bij hun tweeën zat ik, en vond 't toch wel droevig nu, dat 't zo gegaan was, dat 't niet was een kort van elkaar afzijn, maar een heel voor altijd weggaan omdat we gans anders waren. En terugdenkend in mij aan de hevige pijn van vroeger als Sam weg was voor even en voelend nu gelaten de eenzaamheid van hem voor altijd, vond ik 't droefvreemd, dat 't zo kon. En toen praatte hij tegen mij, vriendelijk.
- Zeg Joop, ik ben toch zo eeuwig blij, dat ik d'r door heen ben.
-Ja, dat zal wel... 't is ook leuk.
-Ja... vroeger kon 't ons niks schelen... maar weetje, hoe ik geloof, dat dat zo komt? Vroeger zou alles 't zelfde gebleven zijn of ik klaar was of niet en daarom kon 't ons toen niet schelen, maar nou wel... nou gaan we gauw trouwen en ergens anders rustig buitenwonen, dat is veel beter voor ons...
-Ja... dat is 't beste.
- Vin-je 't beroerd, dat ik d'r over spreek?
- Nee... we zijn van mekaar vervreemd... jij hebt mijn sentiment niet... ik dacht vroeger van wel, dat jij genoeg aan mij zoudt hebben... en ik aan jou, maar dat zie ik nou wel, dat is zo niet... jij hebt een meisje nodig...
—Ja... dat wisten we niet.
- Nee, 't is goed, zoals 't is... we zullen bij mekaar blijven tot je je vestigen gaat en dan breek ik de boel ook op.
- Ga je weg bij juffrouw Meks?
-Ja, als jullie trouwt ga ik ook trouwen met Koos, of met 'n
230