pijpelijntjes
woon wist Sam 't en ik had 'm gezegd, dat ik een kamer huren zou, waar we altijd konden zijn, omdat 't mij te lastig was telkens in een hotel te gaan. En over Koos zat ik nu te denken.
Juffrouw Meks was nog even boven geweest. Ze kwam nu haast nooit meer en haar prettigpraatjes waren gehad. Ze hield niet van Tonia en vond Sam veranderd. Stijfdeftig stroefden haar woorden.
- M'neer Sam komt er wel door, denkt u niet?
—Ja, ik denk 't wel.
- Ik heb tenminste bloemen besteld op de bonnefooi af... d'ris veel veranderd in huis, m'neer Driesse, maar vandaag wil ik toch ook wat doen... en 't is van harte.
- M'neer Sam zal 't wel prettig vinden.
- Dat hoop ik tenminste... ik zeg nog tegen De Bree, 'n heel verschil met vroeger, maar d'r is te veel dak op 't huis1...
Door drukke schemermiddagstraten gingen Tonia en ik naar de Oudemannehuispoort. De mensen onderweg gewoonpraterig en woelerig en mijn hoofd dof met 't onverschillige denken aan Koos. Toch goed, dat ik dat nog overhield... nou maar eris gauw weer 'n andere jongen nemen, dat was toch prettig weer... een ander, waarom eigenlijk, maar zo laten... dat was beter... als Sam naar buiten ging wonen, dan moest ik een jongen bij me hebben voor vast. Weer over buitenwonen kulkalde Tonia de hele weg over.
Aan de universiteit Sam en drie anderen. Hij stelde ons even voor vlugafmakend en de vier van die dag praatten erover, wie er gezakt zou zijn.
- Is 't goed gegaan, Sam?
-Ja... heel goed... ik denk, dat we d'r alle vier wel zijn.
- Zou 't nog lang duren, eer we 't weten?
Wat zag Sam d'r slecht uit, nu hij in de schemerige poort i. Teveel mensen zijn erbij, die het niet mogen horen
227