jacob israël de haan
- Nee... 't is goed.
- Ik geloof, dat we hopeloos veranderd zijn... ik had nooit gedacht, dat ik 't zo goed zou hebben met Tonia... en ik ben heel gelukkig nu.
-Ja... ja... 't is heel goed.
- Zie je Joop, ik ben maar een heel gewone meidenvent... wat meisjesgeluk en een beetje goed leven... dan heb ik al genoeg, maar jij zult 't moeilijk krijgen.
-Ja... dat geloof ik ook wel.
Hatelijk werd gulgele lampelicht en 't werd me een last Sams moeverdoft gezicht te zien. Ging hij nu maar weg... nu ook maar. Het was toch voorbij... en 't zou er niet meer wezen. Scherpplotseling door 't komen van Tonia was zijn voelen voor mij veranderd en mijn voelen voor hem daardoor.
Maar gelukkig vroeglaat ging hij heen.
- Ga je nog wat met me de stad in, Toon?
En zij blij ervan uit te kunnen na dorre dag van thuis te zijn, wilde graag mee.
-Dag Joop.
- Dag Toon... ik wacht niet op je... ik ga naar bed.
-Dag...
- Nou, dag Joop... heb je 't niet beroerd alleen?
- Nee, 't zal wel loslopen. Dag hoor.
Toendan ze weg waren ging ik naar Koos en bleef met hem in een hotel 'n dag of wat.
De laatste dag van Sams examen. Winterbruine zaterdag, dreigend met sneeuw uit grijsgepakte hemel en sinister met donker zonneloos licht, 's Middags had Sam alleen nog even operatief en dan zouden we naar de universiteit gaan om te horen. Tonia onrustig om me heen die middag praatte almaar weer over dezelfde dingen. Maar ik had met Koos afgesproken, dat hij tot tien uur op me wachten moest en ik wilde nu gaan ook. Heel ge-
226