jacob israël de haan
- Maar misschien heb je wel gelijk... datje maar doet, watje goed vindt... waarom zou je 't niet doen?
-Ja...
- Nou lijkt me alles verkeerd, watje tegen je-zelf doet... je moest alles laten gaan, zoals 't gaat, dat is beter...
- Ik gelooft ook... heb je verdriet?
- Nee... nee, alleen als ik aan jou denk... zal je 't alleen hebben, als ik weg ben? Voor mij is 't zo heel goed... Tonia houdt veel van mij en ik van haar... maar wat ga jij doen, als ik weg ben?
- Dat weet ik niet... Koos komt misschien bij me...
-Ja, dat is 't beste.
En samen in 't weekdroevende nadaglicht huilden we zachtjes, vaagvoelend ons veranderd leven en hoe dat vroeger was.
Sams artsdagen waren begonnen... week van examengedoen bij brokjes... nu en dan, een uur, nog een uur. We zagen hem nu zelden. Weer naar z'n eigen kamer van juffrouw Kater was hij gegaan en kwam maar eenmaal op elke dag even bij ons, tegen de avond. Langzaampjes was hij afgedroefd, zó datje het niet merkte van een dag tot een andere, maar als ik de momenten van sommige dagen terugdacht, dan was het bleke verval vreselijk. Z'n stem monotoonde dof, viel vaak terug in z'n keel... zwakjes. En vaag babbelpraatte hij dan over de dingen van de gedane dagen, maar of hij met andere bezig was. Droefenis dempdroefde in ons.
Soms leek 't beter te worden en warmde z'n stem kleuriger; raakte de dinger dieper, maar het was voor kort. Z'n gebaren prettiggrappend van vroeger vertriestten en soms een even op-bewegen van zijn hand en een lichten even van z'n ogen, maar droevende dofheid weer over ons en met 't zachte zeggen van de woorden voorzichtig, of er een zieke was. Tijen lang in de bruinschimmige schemering zwegen we zittend bij elkaar,
224