XXIII. ARTSDAG
Donkerder droefde winterdagening over ons met lichteloze morgen en vroeger neervallen van de avond. Zwaardoffer was hulpeloze ellende geworden, waaronder we gebogen liepen en leefden gedrukt. Alleen Tonia effengelijk, sarrend dezelfde, deed de dingen als voorheen, praatte prettig over de gauwko-mende tijd, dat Sam klaar zou wezen en dat ze dan buiten zouden wonen en ik in de vakantie bij ze zou zijn, lange pleziertij-den.
Toen op een middag 't licht verduisterde en grijze stemmigheid in de kamer teder intiemde zei Sam voor 't eerst na lange tijd weer iets van ons leven. Tonia was uitgegaan.
—Jopie... kom nog eris bij me zoals vroeger.
-Ja... is er wat?
Dicht naast 'm zat ik, maar niet veilig meer en m'n hart bonsde bang in m'n keel.
- Zegjoop... vind-je niet, dat we anders zijn geworden voor mekaar?
-Ja... ja, ik geloof van wel... zeker doordat Tonia nu bij je
is.
- Misschien... ik weet 't niet... ik voel me zo leeg... zo moe en als ik aan vroeger denk dan lijkt 't of alles niet meer zo prettig is.
-Ja... zeg Sam... ik ben weer met Koos geweest.
- Zo... en je had gezegd, datje 't niet meer doen zou.
Hij zei zwak en dadelijk er achter:
223