jacob israël de haan
Iedere middag precies liepen we onze wandelloop, Tonia in 't midden, eenvoudig gekleed1, omdat Sam dat zo graag wou. Dan zeurpraatten we eerst wat, maar zwegen weer, beurt om beurt soms wat zeggend tegen Tonia, vraagjes en antwoorden los van mekaar, lusteloos.
En ik dacht over de vreemde veranderingen in ons leven... alles grijs en leeg, duizelig leeg met geen vastheid meer in ons bestaan. Tonia zonder iets... Sam doezeldof en leegdoend in zijn dagelijks werk...
Die avond zocht ik Koos van de Dam en samen, omdat Sam en Tonia thuis waren, gingen we naar de dijk aan de lege overkant van het IJ.
1 P z: 'droeg reform
222