jacob israël de haan
heen... nou zacht en lief tegen haar doen... zo erg was 't ook niet... 't zou nog wel schikken misschien...
- Zeg Toon, as jij nou maar even blieft op te duvelen dan sta ik op... hoe laat is 't?
- Half negen.
- Lieve mens, nee maar, die is goed, ik moet 'n razende hoop werken... Toon, zet gauw koffie, as 'n meid, ik kom d'ruit.
Voor 't eerst dan aan tafel een eigen meisje van ons, ze zat met d'r rug naar 't regeniglichte raam, ik over haar en Sam met 't licht overdwars op z'n gezicht. Wat was-ie afgevallen, scherpe plooitjes hoekig om z'n mond en z'n prettig lachen moeiig verdoft. 't Eerst zei ik maar wat:
- Zeg Sam, 't is goed van Toon, ze kan 't kleinkamertje krijgen, ik heb maar gezegd, acht gulden in de maand.
Leegluid lachte hij tegen m'n schamel praten in:
- Zo, dat 's leuk, dat 's leuk, wou juffrouw Meks dadelijk?
- O, ja, dadelijk, geen idee, dat ze niet wou.
- Zo, dat 's best, nou Toon dan blijf je maar zolang hier tot we een eigen thuis hebben als ik afgestudeerd heb, dan doe je ons huishouën maar.
Dan weer stilte bleekbenauwend, 't lege grauwgeregende lichte malde zonneloos over de dingen rondom, die scherpge-brand m'n ogen droogden, dat ik spitse hoofdpijn had. En hulphopeloos triestigde Sam, kon z'n vrolijke leegte niet ophouden; zei dofjes:
- Laten we maar werken gaan.
-Ja, ik heb nog veel te doen... wat ga jij doen, Toon?
- Ik weet 't niet.
- Nou, doe maar watje wilt, wij doen ook, wat we willen. In m'n gewone werkraamhoekje probeerde ik te werken,
maar keek de hopeloze herfsttuin in. Het regende niet meer nu. De boom voor 't raam half-groen en half-zwart afdroop zware
220