jacob israël de haan
En dan juffrouw Meks ineens:
- Hé bent u daar, m'neer Sam.
0, daar was Sam terug. Natgeregend stond hij voor m'n bed in enen.
- Dag... dag... dag Sam.
- Dag Jopie... hoe is 't d'rmee?
- Kom je weer thuis... blijf je nou bij me... wat ben je lang weggeweest.
-Ja, ik voel me niks goed... sta je op?
- Opstaan? Dat's waar ook, wat kom je malvroeg.
- Nee blijf maar liggen... ik moetje d'ris heel ernstig wat zeggen.
In de lichte lichtschemering van 't alkoof praatte zachtjes z'n fijne streelstem ineens door, diep dieperdringend binnen mij in.
—Jopie... je moet 't niet mal vinden, maar ik heb 'n meisje... toe zeg nou niks... laat me nou maar uitpraten... daarom heb ik je in zo'n tijd niet geschreven... toen was 't al aan de gang... toe Joop... huil d'r nou niet om, 't is beroerd voor je, dat voel ik zelf ook wel... toe huil nou niet... je weet immers niet eens, hoe 't in mekaar zit... wil ik 't je maar vertellen?
Lam lagen m'n benen onder me en door m'n hele lijf lerpte1 weekwitte pijn... dat was dan nu 't eind... 't eind... 't eind.
- Sam...
-Ja... wat?
- Ik heb altijd wel gedacht, datje niet genoeg van me hield... ik vind 't zo erg beroerd... nou ben ik je helemaal kwijt.
- Nee dat heus niet... heus niet... luister dan...
- Ja... vertel 't maar, ik vind 't zo lam... dat kan ik je gewoon niet zeggen... ik had wel van alles gedacht... maar nooit dat... jij?
- Nee... ik eigenlijk ook niet... 't is ook zo vreemd gegaan,
1. Zweepte
216