jacob israël de haan
Vreemdfijn, schuw was ze binnen, en ze begreep wel, dat we wisten, waarom ze hier moest zijn, de laatste nacht, dat m'neer Frits in vrijheid was. Manteltje over haar arm, hoed in d'r hand. Een beetje Engels praatte ze haar korte zinnetjes maar die ze prettig doorlachte met een luchtig gelach, en dadelijk maakte ze haar thuis in onze kamer.
- Ziezo, dat is alweer, ik ben blij, dat ik daar weg ben... dat mens dee de hele avend niks as schelden en razen.
- U kunt hier blijven, zolang u wilt, zei Sam, Joop help jij me even de canapé keren en mijn ledikant uitsjouwen.
Toendan maakten we onze slaapplaats klaar, de canapé met de hoge kant van de muur af, voor mij, Sams ledikant voor hem vlak er tegenaan. En 't alkoofdonker en leeg hollend nu 't ene bed d'ruit was; we stonden d'r met z'n vieren in.
- Hier hebt u alles, wat u nodig hebt... poeierzeep in 't doosje... handdoeken liggen in 't laadje, zei Sam.
- Willen we dan maar niet te bed gaan? vroeg m'neer Frits, ik ben moe en verlang naar m'n bed, en 't is laat genoeg voor zo'n drukke dag.
Maar zij met fijner meisjesvoelen voor wat ze wist, dat gebeuren ging huiverschuwde toch terugjes om ons.
- Nee, laten wé nog een beetje opblijven, als de heren 't goed vinden... dan kannen we nog wat praten.
Zoetjes door mij heen donsde zachtfijn vreemdvoelen voor dat meisje, dat blijpraatte nog de avend voordat ze heel alleen zou zijn. Lachbuigend babbelde ze nu met Sam in de gele lichtschijn van de stilbrandende lamp over haar gezicht heen, en vlug te-rugbabbelde ze weer naar mij.
- Wat bent u stil vanavend.
- Wat bent u vrolijk... waarom bent u nou blij?
- Waarom niet... vraag u liever waarom niet... ?
- Vindt u 't dan niet lam, dat Oostdijk weg moet?
210