jacob israël de haan
Open 't raam. Uit 't éénhoograam riep een stem, die van m'neer Frits was:
- Bent u daar, m'neer Driesse?
- Gut u, m'neer Oostdijk... is d'r wat niet in orde?
-Ja, ik kom.
Vlug clownde hij naar beneden, langs de pereboom voor 't raam, die wat neerzwiepte en weer opboog, vlug in de vensterbank en bij ons binnen, vreemd vallend in de rustige intimiteit van haast slapen-gaan in de kamer. Ik dee 't raam dicht en dadelijk, 't eerst pratend begon hij:
- Neem u me niet kwalijk, dat ik zo binnenkom en zo laat, maar ik zal u alles vertellen... dan zal u zelf zien.
Fijnbeefde rillerig, correct in z'n zwarte pakje met z'n lijf lichtlenig, maar z'n gezicht te oud toch en verschrikt-onrustig.
- Gaat u dan maar zitten... zo erg zal 't toch wel niet zijn, kalmde Sam.
- Ja... ja... laat ik maar even zitten... god, wat ben ik beroerd ...
- Maar wat is d'r dan toch?
- Ik moet de gevangenis weer in.
- Lieve jeses, dat 's beroerd.
-Ja... ik heb 't al zien ankommen, 'n hele tijd al... en ik kon niet weg. Telkens dacht ik nog, dat 't goed zou gaan... maar 't is mis, ze hebben me verrajen... ze hebben me verrajen en nou loeren ze op me, as ik 't huis uitkom dan snappen ze me.
—Ja, dat is verdomd erg.
- 't Is de tweede keer al... de tweede keer... nou moet ik de cel weer in, god weet voor hoe lang.
- Maar wat wilt u dan, dat we voor u doen? Wilt u dan, dat we u zien weg te helpen?
- Nee, dat kan niet meer... 't is te laat... d'r is niks meer an te doen, niks meer, ik moet d'rin... maar ik wou u vragen of ik vannacht hier mag blijven, dan heb ik tenminste nog eris een-
208