pijpelijntjes
best meer as veertig geven en hij is al zo grijs as 'n duif... en wat z'n mooie pakkies betreft, nou dat kan me man ook en dat kan ik ook, as we de lui niet betalen.
- Dat 's glad, god, is-ie van die kracht?
- Nou, en niet effles ook, u had moeten zien wat 'n dassen en wat 'n hoeden, 't fijnste niet fijn genoeg... en niks betalen, geregeld niks.
Laat-avend zaten we bedaard aan ons werk. Sam over mij, dee z'n laatste dingen voor z'n examen nog na. Buiten ruisritste regen over de ruiten en prettig rilde ik, dat we saam binnen waren.
- Wat een weer hè, buiten.
- Nou asjeblieft, zo zullen we ook gauw uitgezomerd zijn.
-Ja... we werken wel lekker hé vanavend? Blijf je nog lang
op?
- Nee... niet zo heel lang meer, ik ben een beetje moei... ben je nog uitgeweest vandaag?
- Nee, ik ben maar thuis gebleven... zeg Sam, ik laat morgenochtend de wekker om half zeven aflopen, dan kom ik bij je nog lekker wakkerpraten.
-Ja, dat 's goed, asje maar rustig bent, anders weetje d'r alles van... maar zeg, ga d'ris even kijken, 't is net of ze op 't raam tikken.
Uit 't raam keek 'k in de zwarte regentuin, die gek lei; de overhuizen al donker in de nalate avend. Ik keek en leegstarend in zwarte verte; een zoete smaak proevend in m'n mond en week denkend aan Sam... wat hadden we 't rustig de laatste dagen, dat moest zo blijven, langzaam aan werd 't herfstig buiten ... lang-donker al. Ineens... fel-vlug tegen 't raam 'n steentje...
- Nee maar zeg, nou moet ik toch eris kijken, wat dat is... dat 's toch al te zot.
207