JACOB ISRAËL DE HAAN
ik 'm naaktbloot en bevend in de schitterzon... een jongen, die groot wordt... fijnergelijnd dan met 't lomplij vige goed aan... z'n borst... z'n armen. Endan in mij lustigde fijnfeestelijk verlangen naar hem boven alles uit... om z'n mond te zoenen... om z'n zonnige buik te zoenen... zacht donsende de nieuwe pretstemming van liefde mij1 en huiverbevend lei ik zittend in m'n stoel.
Maar in enen schrok 'k op... de vrouw had gezwegen, lang uitverteld haar leed van de dode man. En vertederd om haar niet, maar om de fijne lievelingjongen bij haar zei ik 't ziels-vriendelijk.
- Daarvoor heb ik u juist bij me laten komen... juist om te weten, of u d'r op tegen hadt, en nou u d'r op tegen hebt... nou gebeurt 't niet van die komedie, nou zullen we u wel helpen daarzonder... ik heb zelf wel wat geld voor u over en 'n paar vrinden van mij ook nog wel, zo'n schat zal d'r toch ook voor zo'n zakie niet nodig zijn.
Blij kleurde ze op haar bleke wangen en begon weer te praten, dat 't te veel was en dat ze niet wist, waaran ze dat had verdiend en dat ze zo dankbaar was. Maar ik wou weten van haar jongens, van de zonnige jongen, die naast haar stond. En ruw-brak ik er tussen in:
- U hebt nogal heel wat kinderen nietwaar?
—Ja, m'neer, je zou haast zeggen ongelukkig genoeg, want wat moet d'r van de stakkers worre, armoe en ellende troef, ik heb d'r zes en dan deze nog.
- O, is dat geen jongen van u?
- Nee, m'neer, dat is 'n hele historie, die ik u nou niet vertelle kan, maar hij mist me man even goed, as de anderen ook, daar kan u wel van opan.
-Ja, dat zal wel... kom d'ris hier jongen.
- Toe Dirk, ga d'ris naar m'neer toe.
i. In mij?
202