pijpelijntjes
Een jongetje bij d'r in rouw, en zij in de rouw, hardzwart, malzwart in de open lichte kamer.
-Juffrouw Bramer heeft me van u gesproken... het is 'n zeer droevig geval... ik condoleer u wel.
— Dank u... en zo plotseling, verleën week was-ie nog zo goed en nou zo...
— Het is heel erg... ja.
De jongen was naast d'r blijven staan, lei z'n hoofd liefvleiend op haar schouder. En zij intiem:
-Jajongen as 't an jou lag, dan zou moeder 't zo minnetjes niet hebben... och m'neer, ik kan u niet zeggen, hoe hard ik 't vind, nou an de liefdadigheid te moeten kommen.
— Kom, dat is nou helemaal geen liefdadigheid, we zijn d'r immers om mekaar te helpen, we zullen zien, dat we zoveel geld bij mekaar krijgen, dat we u in 'n stand kopen.
En zij zachtjes bedeesd met 't haast niet durven van afge-zwoegde stadsvrouw, zodra ze uit d'r huisjesbuurtje is:
-Juffrouw Bramer sprak van 'n benefiet en van lijste... as 't moet, zou 't dan niet anders kennen... minder openbaar zal ik maar zeggen, ziet u...
Ze praatte door en haar woorden voelde ik samengevloeid één woordeloos geluid. Naast haar stond de jongen en naar hem keek ik. De zon schuinde over z'n bloosfijnrode wangen, eventjes met witte haartjes. Z'n ogen blauw, z'n mond rondstrak en onder z'n lippen de huid schuinscherp naar beneden weg.
Zonnigwarm in mij voelde ik fijne gewone jongensliefde van zo vaak al en dan telkens weg weer, maar telkens nieuw en prettig om te hebben. Haar stem vaagluidde altijd door nog, maar ik bleef kijken naar de jongen bij haar. Strak om z'n benen de kousen zwart en gaalloos'... z'n blouse zwart en zelfgemaakt met de mouwpofjes van boven... 't liggende kraagje en daar boven z'n zonnige bloosoren. Een mooie jongen. Voor mij zag
i. Zonder dunne plekken
201