JACOB ISRAËL DE HAAN
Warm dampte dikgele soep in volle borden en die bediend waren keken er naar begerig.
- Wie eten wil kan wel gaan eten, die halen we best weer in, vriendelijkte juffrouw Meks.
Maar ze wilden wel wachten. De man van huisjuffrouw zat met z'n lepel stijf in z'n rechterhand en schepwipte van z'n soep 't vette groengele vliesvel, dat hij aflikte nog naproevend. Anna kwam terug en zette de volle trien op tafel vlugzwaarzwaaiend, juffrouw Meks schepte verder.
- Ziezo, wie d'r nou bidden wil, die bidt er maar.
Eetgraag lepelden ze lauwvette soep, die op elke lepel een geel-laagje achterliet en dikkervet stolde laatste lestje op de borden.
- Hoe is dat soepie? vroeg juffrouw Meks.
- Dat soepie is best, dat soepie is heel best, dikpraatte man van huisjuffrouw vergenoegd.
- D'r zit ook maar effen niks in, als ik 't zei, zou je d'r gewoon van schrikken, juffrouw Bramer, u weet ook wat 'n goeie soep toekomt, maar zeg u nou of deze z'n recht hèt, ja of nee.
- Hij is heel goed, vond juffrouw Bramer.
- Kom, wiewild'rnog 'nbordjePAn, d'ris zeker nog wel beneden? U toch nog wel m'neer Driesse?
Pratender aten we tweede bord geelvettiger nog dan de eerste, kleine gladde vetstukjes tussen de draadklonterige vermicelli. Feestpraatvrolijkheid begon weer op te luidleven in dempdoezige eetkamer, die toch fris bleef met twee hoge ramen open en geur van buitenbosgroen en bloemen.
-Jé, wat heb ik 't warm, dikzuchtte man van huisjuffrouw, juffrouw Meks zet asjeblieft nog een raam open... nog een.
- Zeker me pleeraampie, weerlachte Meks, as d'r twee bennen zeker drie open.
- Zulke soep atten we bij m'n kostvrouw in Duitsland ook
!88