XIX. BOEVENDINER
In de hoge kamer, maar waar 't licht nu helderlaat zonneloos was, liepen we allemaal in. Het wachten was nog wat op Sam geweest en juffrouw Meks had telkens gekeken of-ie nog niet kwam en ze had Toos laten kijken en weer kijken, die eindelijk terugkwam, dat m'neer Sam er was. En allemaal hadden ze geroepen van 'de rijkdom laat zich wachten' en van 'u heb zeker geen honger', tot juffrouw Meks, toen 't pretgeschreeuw bedaard was, nakalmde:
- Al m'n eten kan wel bedorven zijn... laten we nou maar beginnen.
De plaatsing viel goed voor mij, ver van de warmgele intie-migheid van de huisjuffrouw in de prettigrode warmte van de man. Hij was helemaal opgefleurd nu en zat weer in de bebloemde stoel, maar bloemen vaalflenserig, die juffrouw Meks nog wel opgeknapt had met de middag. Naast hem jongen Baaiman. Bleke lange jongen, die met dofdiepe ogen rondkeek en vreemdlachte schuw tegen elk, die naar hem zag. Maar dadelijk prettig intiem praatte hij met De Bree, die hij nooit gekend had, maar met wie hij prettiger aanvoelde omdat ze allebei daar geweest waren. Huisjuffrouw tussen Anna en nichie in praatte hoogluid en liefliefdoend met stomme Stientje en juffrouw Meks schepte soep op.
- U bord asjeblieft, m'neer Driesse... ik zal goed voor u zor-rege... Anna ga jij nog effe wat hale... anders krijgt m'neer Driesse niks as dik.
187