JACOB ISRAËL DE HAAN
- Duitse landen, bijtbitste juffrouw Bramer, dat heb ik je nou ommers al tien maal gezeid.
Dan kleine Toos schrikkleurend:
Van de verre Duitse landen, Naar onze vaderlandse landen...
- In Godsnaam, laat maar lopen, zuchtte huisjuffrouw, u begrijpt, 't had eenmaal 'landen' en eenmaal 'stranden' moeten zijn, maar 'n knap mens, die d'r bij Toos wat inkrijgt.
- Hebt u 't gemaakt?
-Ja natuurlijk, och, juffrouw Meks die vroeg 't me en toen dacht ik ook, waarom niet... ik heb d'r natuurlijk niks van dat in gezet, dat had juffrouw Meks me trouwens gevraagd ook... Toos denkt natuurlijk dat-ie uit Duitsland komt... hoe vindt u 'm?
Toos was klaar. Druk handgeklap lawaaide op en ze praatten rommelend over mekaar heen. De moewe man in de luistoel lei impassibel... z'n ogen zwaarblauwdicht, maar opgeslagen door 't lawaaiende applaus lawaaisloeg hij mee.
- Daar heb u eer van juffrouw Bramer, zei Meksenmensje behaagd en toen riepen ze dat allemaal en juffrouw Lepelaar, die net gekomen was, informeerde naar gewoonte, hoe 't godsmo-gelijk was.
Maar stiller werd 't en stil. Rustiger zaten we allemaal dicht rond de ronde tafel, alleen de feestman lei nog in z'n stoel. Ik zat alleen in 'n kast-en-muurhoekje, moe en niet pratend, over me Sam, maar die druk en vriendelijk lieflachend met de neefan de polisie. Van hier en hier en daar hoorde ik wat, als een stem boven 't doffe praatgedruis opscherpte: wat 'n bloemen hè... sst... ze kannen 't horen... 't lijkt wel 'n bruiloft... waarachtig, zeg, hij slaapt... m'neer Driesse... Joop...
Grijze tinteling lichtoverschaduwde m'n ogen, die 'k sloot en
182